Indische Oceaan, richting Kaapstad, zondag 16 februari 1941 16-02-1941
Aan mijn moeder van haar liefhebbende zoon Wim
Aan mijn moeder, van haar liefhebbende zoon Wim
Vandaag, zondag 16 februari 1941, voel ik de behoefte om de gebeurtenissen die ik in deze vreselijke tijd meemaak en mijn gedachten er over op schrift te stellen, zodat u later als ik thuiskom, zult weten hoe we het gehad hebben. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat u thuis niet veel ellende, koude en honger zult hoeven lijden en dat mijn brieven en kaarten die ik u langs verschillende wegen heb gestuurd, zijn aangekomen. Dan is uw ongerustheid over mij weg.
Goddank heb ik van u een brief ontvangen. Van Hilda over New York, gedateerd 23 juli en 20 augustus 1940. U was toen goed gezond maar ik merkte wel dat u zich ongerust maakte over mij. Ik weet er alles van wat het zeggen wil om in die onzekerheid te verkeren. Ik heb zelf ook zo lang moeten wachten op een brief. De meesten aan boord hadden al bericht gehad uit Holland maar uw brief kreeg ik pas op 11 november. Hilda had hem naar Buenos Aires gestuurd en het agentschap daar stuurde de brief door naar Engeland. Net op tijd, vlak voor dat we uit Liverpool zouden vertrekken, ontving ik hem. De poststempels op de brief waren van 30 september 1940, Brooklyn New York en van Buenos Aires 4 oktober 1940. Een hele reis dus, per luchtpost en daarna waarschijnlijk met de boot. Ik was zo gelukkig dat ik eindelijk wat van u hoorde.
Ik hoop dat we nog eens gezellig samen thuis zullen zitten en dat u deze herinneringen dan zult lezen.
Op het ogenblik vaar ik, als tweede stuurman, met de Salland op de Indische Oceaan. We zijn onderweg van Brits-Indië naar Kaapstad. Het is warm en vochtig weer, echt drukkend. Tot nu toe hebben we gelukkig niets ernstigs van de oorlog ondervonden. Wel is de leerling die hier aan boord is op de Amstelland geweest. Dat schip werd getorpedeerd maar bleef drijven en werd behouden de haven van Falmouth binnengesleept. Een matroos is daarbij om het leven gekomen.
Ik heb nu zo’n beetje een tweede thuis in Engeland bij oom Cor, huize Noordwijk, 45 Cowbit Road, Spalding, Lincolnshire. Hoe ik daar kwam zal ik u verderop in dit verhaal wel vertellen. Ik heb bij oom en tante mijn geld achtergelaten en verder nog een brief voor u. Die hebben ze in hun safe opgeborgen en sturen hem naar u toe als er met mij iets zou gebeuren. Maar ik hoop dat het niet nodig is. We zitten soms erg in de put, maar op andere momenten zien we de toestand weer rooskleuriger in. Wat ben ik al een lange tijd van huis. Ik vind het vooral voor u verschrikkelijk en hoop dat u er zich goed onder houdt.
Gisteren ben ik druk aan het sokken stoppen geweest. Ook mijn was doe ik geregeld al laat ik aan de wal natuurlijk ook wel eens wat wassen.
Nu zal ik eens beginnen met het verhaal van mijn reizen sinds 27 maart 1940.
Doneer!
Maart 1940-9 November 1941
Het eerste schrift
(Bldz. 1-173)
Voorwoord
Aan mijn moeder van haar liefhebbende zoon Wim.
1 Vandaag, Zondag 16 februari 1941, voel ik behoefte om mijn gedachten, en de gebeurtenissen die ik in deze vreselijke tijd meemaak, op schrift te stellen, opdat U later als ik thuiskom, zult weten hoe wij het gehad hebben. Ik hoop uit de grond van mijn hart, dat U thuis niet veel ellende, koude en honger zult hoeven te lijden, en dat mijn brieven en kaarten die ik U langs verschillende wegen heb gestuurd, U bereikt hebben; dan is Uw ongerustheid over mij weg.
Goddank heb ik tenminste van U een brief ontvangen van Hilda over New York. Die brief was van 23 Juli en 20 Augustus 2 1940 en U was toen goed gezond, maar ik merkte wel dat U zich ongerust maakte over mij. Ik weet er alles van wat het zeggen wil in die onzekerheid te verkeren. Zelf heb ik ook zoo lang moeten wachten op een brief, de meesten aan boord hadden al bericht gehad uit Holland, en pas op 11 November 1940 kreeg ik Uw brief, Hilda had hem naar Buenos Aires gestuurd en het agentschap aldaar stuurde de brief door naar Engeland, waar ik hem te Liverpool ontving vlak voordat wij zouden vertrekken, dus juist bijtijds. De poststempels op die brief waren: 30 September 1940 2.30 P.M. Brooklyn N.Y., en Buenos Aires 4 Oct. 1940, 16-17 uur. Een heele reis dus, van N. York naar Buenos Aires per luchtpost, daarna waarschijnlijk per boot. Ik was o zoo gelukkig dat ik eindelijk wat van U hoorde!
Ik hoop dat wij nog eens gezellig 3 samen thuis zullen zitten en dat U deze herinneringen dan zult lezen.
Op het oogenblik vaar ik met de “Salland” als 2e stuurman in de Indische Oceaan, onderweg van Britsch Indië naar Kaapstad. Het is warm en vochtig weder, echt drukkend loom. Tot nu toe hebben wij gelukkig zelf niets ernstigs van de oorlog zelf ondervonden. Wel is de leerling die hier aan boord is, C.J. van Eenenmaan op de “Amstelland” geweest, die getorpedeerd werd maar bleef drijven, en behouden te Falmouth werd binnengesleept. [1] Eén matroos is daarbij om het leven gekomen.
Ik heb nu zoo’n beetje een tweede tehuis in Engeland bij oom Cor Slooten (“Noordwijk”; 45 Cowbit Road, Spalding; Lincolnshire). Hoe ik daar kwam zal ik U verderop in dit verhaal wel vertellen. [2] Ik heb daar ook mijn geld achtergelaten, en 4 verder nog een voor U bestemde brief die zij in hun safe opgeborgen hebben [3] en naar U zullen toesturen als er wat mocht gebeuren. Maar ik hoop dat dit niet noodig zal zijn. Wij zijn soms erg in de put, maar op andere tijden zien wij de toestand weer rooskleuriger in. Wat ben ik al een lange tijd van huis. Ik vind het vooral voor U verschrikkelijk en hoop dat U er zich goed onder houdt.
Gisteren ben ik druk aan het sokken stoppen geweest en ook mijn wasch houd ik geregeld bij. Maar aan de wal laat ik nu natuurlijk ook wasschen.
Nu zal ik eens beginnen met het geregelde verhaal van mijn reizen sinds 27 Maart 1940.
[1] De “Amstelland” ging later toch verloren (zie bldz. 79).
[2] Zie bldz. 33 enz.
[3] Bldz. 54; bldz. 1723.