Sabang, zondag 28 september 1941 28-09-1941
Calcutta - Fremantle
We worden echte zwervers
Zondag 28 september 1941 Nu zijn we op weg van Calcutta naar Australië, waar we nog nooit geweest zijn. Dat is weer een geheel nieuw traject voor ons. De oorlog brengt ons in allerlei werelddelen waar we anders nooit zouden komen. Maar ik heb liever onze geregelde Zuid-Amerikavaart van vredestijd. Ik ben nu juist zo’n beetje hersteld van het verschrikkelijke, ongezonde klimaat van Calcutta: ik eet en slaap weer lekker, ik krijg mijn rust en de lusteloosheid en vermoeidheid is weg. Ik begon daar ook al gelig te worden, zou dit nog van de geelzucht zijn van jaren terug? Nee, Brits-Indië is niets maar in Australië moet het wel beter zijn.
Ik zit nu te schrijven terwijl mijn radio muziek van de NIROM speelt en er een fris windje vanuit het zuidwesten waait, precies door de poorten in mijn hut. Het is vanochtend regenachtig geworden. Tot nu toe hadden we vanaf Calcutta steeds mooi weer met veel zon. We voeren ongeveer tweehonderd mijl ten westen langs de Andamanen en Nicobaren, twee lange eilandrijen, en zijn nu tweehonderd mijl van Sabang verwijderd in onze Oost. We gaan op een kleine tweehonderd mijl langs de eilandengordel die buiten Sumatra loopt.
Oorlogsnieuws Volgens de radio hebben de Duitsers in het zuiden, in de Oekraine, belangrijke vooruitgang geboekt. Ze hebben Kiev in handen en bedreigen de Krim. Maar Leningrad en Odessa houden stand en in de middensector bij Smolensk hebben de Russen het initiatief.
Ik heb mijn was al weer schoon en heel in de lade. Het waren 48 stuks in totaal: alles van Calcutta waar je wel tweemaal per dag schoon goed kunt aantrekken vanwege het zweten. Als je ’s ochtends opstond was je hele hoofdkussen en het plekje waar je met je borst lag helemaal drijfnat van het transpireren. Verder heb ik mijn beide witte helmhoeden en witte schoenen gewit. Dus alle ellende en rommel van Calcutta is vergeten. Maar er zijn nog geregeld wat mensen ziek: koortsig, dat duurt een paar dagen, gaat dan weer over en vervolgens worden weer anderen ziek. Bogert, de derde stuurman, is vandaag weer beter.
Ik neem er vandaag mijn gemak van: het is zondag, goed om bij te komen. Kapitein Visser voelt zich sinds Calcutta ook niet goed. De briefverbinding was er ook slecht. Ik had in Calcutta toch wel een brief uit Spalding verwacht, want Marie zou de brieven naar Chester sturen waar nu het hoofdkantoor is van de Clan Line - die ons heeft gecharterd - en die zou ze gelijk met de scheepsbrieven doorsturen naar een haven die we aandoen. Maar deze Australië-reis varen we voor de BISNC, de British India Steam Navigation Company, die de lading leverde want de schepen mogen niet leeg varen. In Sydney komen we dan weer onder de Clan Line.
Hoe lang zou deze oorlog nog duren? Was het maar afgelopen. We worden echte zwervers, ver van huis en voor wie weet hoe lang? Velen leven er maar lustig op los, zoals Bogert, maar ik ben verstandiger en denk aan de toekomst na de oorlog. Kon ik maar eens thuis kijken. Ik schrijf uit vrijwel alle havens naar Hilda en naar Marie en ik hoop dat u weet dat ik nog leef: maar al teveel durf ik niet in die brieven te schrijven. Lijdt u geen honger of kou? Wat zal dat een ellende zijn. En dan al die Duitse soldaten in ons mooie landje. Als ze maar niet bij ons in huis komen.
Doneer!
Zondag 28 September 1941. Daar zijn wij op weg van Calcutta naar Australië, weer een geheel nieuw traject voor ons, waar wij nog nooit geweest zijn. De oorlog brengt ons in allerlei werelddelen waar wij anders nooit geweest zouden zijn, maar ik heb liever onze geregelde Zuid-Amerikavaart van vredestijd. Ik ben nu juist zoo’n beetje hersteld van het verschrikkelijke ongezonde klimaat van Calcutta, ik eet en slaap weer lekker, je krijgt dus je rust, en de lusteloosheid en vermoeidheid is weg. Ik begon daar ook al gelig te worden, zou dit nog van de geelzucht zijn van jaren terug? Neen, Britsch-Indië is niets, maar in Australië moet het wel beter zijn.
Ik zit nu te schrijven, 154 terwijl mijn radio muziek van de Nirom [1] speelt, er waait een frisch windje van het Zuid Westen juist door de poorten in mijn hut. Het is vanochtend regen geworden, tot nu toe hadden we vanaf Calcutta steeds mooi weer met veel zon. Wij voeren ± 200 mijl beWesten de Andamanen en Nicobaren (twee lange eilandenrijen) langs en zijn nu 200 mijl van Sabang verwijderd, in onze Oost. Wij gaan een kleine 200 mijl van de eilandengordel die buiten Sumatra loopt, langs.
Volgens de Radio hebben de Duitschers in het Zuiden, in de Oekraïne, belangrijke vorderingen gemaakt, ze hebben Kiev, en bedreigen de Krim. Maar Leningrad en Odessa houden stand, en in de middensector bij Smolensk hebben de Russen het initiatief in handen.
Ik heb mijn wasch al weer schoon en heel in de lade, het waren 48 stuks totaal, alles van Calcutta waar je wel tweemaal per dag schoon goed kunt aantrekken vanwege het 155 zweeten; als je ’s ochtends opstond was je heele hoofdkussen en het plekje waar je met je borst lag, heelemaal drijfnat van het transpireeren. Verder heb ik mijn beide witte helmhoeden, en witte schoenen, wit gemaakt. Dus alle ellende en rommel van Calcutta is vergeten. Er zijn echter nog geregeld eenige menschen ziek, koortsig, dat duurt eenige dagen, en dan gaat het weer over, en worden weer anderen ziek. Bogert, de 3e stuurman, is vandaag ook weer beter (zie bl. 151). Ik neem vandaag mijn gemak ervan; het is Zondag, goed om bij te komen. De kapitein T. Visser is ook sinds Calcutta niet goed. De briefverbinding is ook slecht, ik had minstens te Calcutta een brief uit Spalding verwacht, want Marie zou de brieven naar Chester sturen, waar nu het hoofdkantoor van de “Clan Line” (die ons charterde) is, en die zou ze gelijk met de scheepsbrieven doorsturen naar een haven die wij 156 aandoen. (Deze Australië-reis is echter voor de B.I.S.N.C. = “British India Steam Navigation Company” die de lading leverde, daar de schepen niet leeg varen mogen; in Sydney komen wij dan weer onder de “Clan line”).
Hoe lang zou deze oorlog nog duren? Was het maar afgeloopen; wij worden echte zwervers, ver van huis voor wie weet hoelang? Velen leven er maar lustig op los, o.a. Bogert, maar ik ben verstandiger en denk aan de toekomst na de oorlog. Kon ik maar eens thuis kijken! Ik schrijf uit vrijwel alle havens naar Hilda en naar Marie, ik hoop dat dat U weet dat ik nog leef, maar al teveel durf ik niet in die brieven te schrijven! Lijdt U geen honger of koude? Wat zal dat een ellende zijn, en dan al die Duitsche soldaten in ons mooie landje. Als ze maar niet bij ons in huis komen!
[1] D.i. de “Nederlandsch-Indische Radio Omroep Mij.”-